Sjoerd Franssen

/ interview

‘Ze zijn hier PA-minded’

Sjoerd Franssen timmert hard aan de weg bij de afdeling Hematologie van het Radboudumc in Nijmegen. De onlangs afgestudeerde physician assistant haalde een beurs van 10.000 euro binnen en schafte daar een echoapparaat van aan. ‘We kunnen nu nauwkeuriger en sneller een diagnose stellen.’

tekst Milou van Ingen
beeld Marcel Krijgsman

Hij wilde graag arts worden maar werd tot twee keer toe uitgeloot voor de opleiding geneeskunde. Sjoerd Franssen (1993) liet zich echter niet uit het veld slaan. Hij besloot een versnelde route hbo-verpleegkunde te volgen. Vervolgens deed hij na zijn studie een jaar klinische ervaring op binnen de interne geneeskunde in het Radboudumc. ‘Ik merkte binnen een aantal maanden dat ik te weinig uitdaging uit het werk haalde. Ik was met name bezig met technische handelingen en werd minder geprikkeld om na te denken. Mijn afstudeeronderzoek van de hbo-v over de uitvoering van ADL-zorg bij hematologische patiënten vond ik erg interessant, omdat ik kritisch moest nadenken. Zodoende besloot ik de opleiding klinische gezondheidswetenschappen met subrichting verplegingswetenschappen te gaan volgen. Daar leerde ik om onderzoek te verbinden aan praktijksituaties.’ Maar na twee jaar studie ontstond er bij de afdeling Hematologie van het Radboudumc een vacature voor physician assistant in opleiding voor benigne hematologie. ‘Voor mij was dit een kans om mijn werkzaamheden binnen het verpleegkundige domein naar het medische domein te verplaatsen. Iets wat ik altijd geambieerd heb. Tevens zag ik mogelijkheden om onderzoek en onderwijs te verbinden aan mijn dagelijkse werkzaamheden. Kortom, de functie was mij op het lijf geschreven.’

‘Het uitvoeren van
beenmergpuncties
geeft een
leuke technische
variatie op mijn
takenpakket’

Hoog niveau
Franssen koos vol overgave voor een carrière als physician assistant en zette zijn opleiding gezondheidswetenschappen on hold. Intussen werkt hij alweer enkele jaren vol enthousiasme op de afdeling Hematologie, waar hij patiënten met stollingsstoornissen, hemoglobinopathieën en paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie behandelt. ‘Het leuke aan dit specialisme is dat het een subspecialisme is, dus heel specifiek. De kennis en expertise die ik binnen deze afdeling vergaard heb, zijn hierdoor van hoog niveau. Daarnaast vind ik de afwisseling tussen poliklinische, dagbehandeling en klinische werkzaamheden erg interessant omdat mijn weken heel gevarieerd zijn, en daardoor nooit saai. Daarnaast is deze afwisseling goed voor mijn algemene ontwikkeling. Op de polikliniek ga ik hematologisch erg de diepte in, terwijl ik bij klinische patiënten juist mijn brede klinische blik moet blijven gebruiken. Tot slot geven mijn taken op de dagbehandeling, zoals het uitvoeren van beenmergpuncties, een leuke technische variatie op mijn takenpakket.’ Ook is Franssen zeer te spreken over de bereidheid tot taakherschikking op de afdeling Hematologie. ‘Ze zijn hier PA-minded. We werken hier nu al met drie PA’s en in september starten twee PA’s in opleiding.

Pitch
In samenwerking met verpleegafdeling Hematologie heeft Franssen een kwaliteitsbevorderend project opgezet voor volwassen patiënten met stollingsstoornissen zoals hemofilie en de ziekte van Von Willebrand. Franssen berekende dat er jaarlijks 60.000 euro bespaard zou kunnen worden als het project tot uitvoering zou worden gebracht via ‘Betaalbaar beter’, de meerjarige kwaliteitsalliantie tussen het Radboudmc en zorgverzekeraar VGZ (zie ook kader). ‘Het project zou zorgen voor zekerheid omtrent een diagnose, een snellere doorstroom van patiënten en een academische ontwikkeling van het Hemofilie Behandelcentrum. Deze punten heb ik in een pitch gepresenteerd waarbij enthousiast gereageerd werd op het initiatief.’
Van de beurs van 10.000 euro die hem op basis hiervan werd toegekend, is een echoapparaat aangeschaft en is scholing gegeven, zodat bij iedere patiënt met de verdenking op een spier- of gewrichtsbloeding laagdrempelig beeldvorming gedaan kan worden. Dit levert naast een kostenreductie – doorverwijzen naar de afdeling Radiologie hoeft niet meer – een kwaliteitsverbetering op, doordat patiënten altijd direct een diagnose krijgen, één professional zien en een verkorte wachttijd hebben.

Makkelijk toepasbaar
De achtergronden daarvan legt Franssen met alle liefde uit. ‘Patiënten met stollingsstoornissen hebben een verhoogd risico op multipele spier- of gewrichtsbloedingen. De behandeling daarvan met stollingsproducten is intensief en kostbaar. Bovendien ontstaat door bloedingen het risico op hemofilie- artropathie, chronische gewrichtsschade. Hemofilie-artropathie wordt daarentegen niet behandeld met stollingsproducten maar door middel van pijnstilling en bewegingstherapie. Het is dus belangrijk om te differentiëren tussen deze twee. In de initiële setting diende gedifferentieerd te worden door middel van anamnese, lichamelijk onderzoek en uiteindelijk een MRI of gewrichtsaspiratie.’ Dat traject is volgens Franssen praktisch moeilijk toepasbaar vanwege de lange wachttijden en de beperkte mogelijkheid om een MRI op dezelfde dag te laten plaatsvinden. ‘Daarnaast is er een verhoogd risico op een infectie of bloeding bij een gewrichtsaspiratie, dus dit wordt niet geadviseerd. Ook brengt dit hoge zorgkosten met zich mee, en voor patiënten betekent het vaak een lange wachttijd.’ Uit bestaande literatuur is bekend dat echografie een goedkoper en makkelijker toepasbaar alternatief is dan MRI en gewrichts­aspiratie. Tevens kan echografie effusie aantonen. Franssen: ‘Door zelf als behandelaar echografie te kunnen toepassen, verwachten we vaker, sneller en nauwkeuriger een diagnose te kunnen stellen.’
Om het gebruik en de noodzaak van het echoapparaat meer body te geven, verrichtte Franssen tijdens zijn afstudeeronderzoek een literatuuronderzoek naar het effect van het echoapparaat. ‘De uitkomsten waren positief en laten zien dat de toepassing van echografie van meerwaarde is’, zegt de trotse physician assistant. ‘Naast deze positieve uitkomst, was het voor mij persoonlijk een grote waardering dat mijn literatuuronderzoek werd bekroond met de scriptieprijs van de opleiding!’ •

Kwaliteitsalliantie Radboudumc en VGZ

‘Betaalbaar beter’ is de meerjarige kwaliteits­alliantie tussen het Radboudumc en zorgverzekeraar VGZ. Gezamenlijk wordt gewerkt aan zinnige zorg. Dit omvat innovaties die de zorg tegelijkertijd beter en goedkoper maken. Beter voor de patiënt én de maatschappij. Binnen deze samenwerking verzorgt het Radboudumc de ontwikkeling, het testen en de implementatie van de innovaties. VGZ stelt financiële middelen ter beschikking, ondersteunt bij de analyse en stimuleert de uitrol van succesvolle innovaties naar andere ziekenhuizen.


Genomineerden Wetenschap Award NAPA 2020

Naast Franssen zijn de volgende studenten genomineerd voor de PA wetenschapsaward. De winnaar wordt tijdens PA-Invest bekendgemaakt.

Tommy Bunte

Hogeschool Utrecht: analyse van de correlatie tussen fMRI, FVC, pCO2 en ademhalingssymptomen bij patiënten met Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS).
Veel ALS-patiënten ondervinden respiratoire insufficiëntie, een groot deel van hen overlijdt daar uiteindelijk aan. Een meetinstrument om de achteruitgang van de respiratoire functie te meten, dat zowel het PZS als het CZS omvat en ook inzicht geeft in ziekteprogressie en overleving, is nog niet beschikbaar. In dit onderzoek is de potentie van functionele magnetische resonantiebeeldvorming (fMRI) onderzocht om de achteruitgang van de ademhalingsfunctie te meten voorafgaand aan veranderingen in de test van de geforceerde vitale capaciteit (FVC), bloedgasanalyses of hypoventilatiesymptomen om de rol van het CZS bij respiratoire achteruitgang inzichtelijk te maken. In het cohort van 33 ALS-patiënten was sprake van een significant verschil tussen patiënten met en zonder respiratoire achteruitgang. De daling van de FVC-test correleerde significant met veran­deringen op de fMRI.

Geertje Hofstra

Hanzehogeschool Groningen: samenhang tussen het allergisch event, specifiek immuno­globuline E en de uitkomst van een dubbelblinde, placebo­gecontroleerde voedselprovocatie.
De dubbelblinde, placebogecontroleerde voedselprovocatie (DBPGVP) voor het diagnosticeren van een voedselallergie is de gouden standaard maar is ook duur, tijdrovend en risicovol. Verondersteld wordt dat er in een specifieke populatie een associatie bestaat tussen een positief serum specifiek immunoglobuline E (sIgE) evenals acute en objectieve klachten tijdens allergisch event (AE) en een positieve uitkomst van de DBPGVP. De studiepopulatie van deze retro­spectieve studie bestond uit kinderen die zowel een AE als een DBPGVP voor hetzelfde voedingsmiddel hebben gehad (N=243). Het voedingsmiddel betrof altijd een noot of pinda. De aanwezigheid van sIgE (p < 0,001, OR 14,731) en de somscore van objectieve symptomen bij het AE (p < 0,01, OR 2,027) bleken onafhankelijk samen te hangen met de uitkomst van de DBPGVP. Verder onderzoek naar de diagnostische waarde van een potentieel predictiemodel is nodig.

Eline Kamp

Hogeschool Inholland Amsterdam: wat is de diagnostische accuratesse van echografie ten opzichte van MRI bij patiënten met een verdenking op een rotatorcuffruptuur, met artroscopie als referentietest?
Middels retrospectief dossieronderzoek is bovenstaande onderzoeksvraag op de afdeling Radiologie van de Noordwest Ziekenhuisgroep in Alkmaar onderzocht. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat echo­grafie nauwkeuriger is in het vaststellen van een rotatorcuffruptuur in vergelijking met MRI. Daarom wordt de beeldvorming bij patiënten met de verdenking op een rotatorcuffruptuur op de afdeling Radiologie aangepast. Bij een echografisch vastgesteld rotatorcuffruptuur volgt een verkort MRI-protocol van de schouder om spieratrofie te beoordelen. Dit betekent meer comfort voor patiënten, snellere doorstroming en vlottere behandeling.

Merel Hogendorp

Hogeschool Rotterdam: prognostische factoren voor falen van Sleep Position Therapy bij volwas­senen met licht en matig positieafhankelijk slaapapneu.
Ondanks dat uit verschillende klinische studies is gebleken dat Sleep Position Therapy (SPT) een effectieve therapie is voor patiënten met licht en matig obstructief slaapapneu, vallen de resultaten in de praktijk tegen. De indruk bestaat dat er vaker sprake is van falen van de SPT dan beschreven is in de literatuur, echter is dit niet geobjectiveerd. Ook is het on­duidelijk welke factoren hierop precies van invloed zijn. Een retrospectief, kwantitatief statusonderzoek toont aan dat bij circa driekwart van de patiënten sprake is van falen van de SPT. Het ervaren van stress en het percentage rugligging tonen een associatie met het falen van de therapie. Op basis hiervan wordt aan­bevolen om deze resultaten voorzichtig te gebruiken om de kans op slagen van SPT in te schatten.

contact
milou.vaningen@radboudumc.nl

Uw reactie

Velden voorzien van een * zijn verplicht

Nieuwsbrief

Mis niets meer en blijf op de hoogte van de ontwikkelingen binnen de NAPA.

Contact opnemen?